I apologize to all my English readers, because the following entry is addressed to my Dutch readers. No worries an English entry will come into existence in a little bit.
![]()
Het kloosterleven is iets wat we vooral kennen uit het christendom. Kloosters zijn dan ook alom vertegenwoordigt in de Nederlandse samenleving. Hoewel ze veelal hun functie verloren hebben en dienen als gemeente museum, stralen ze voor velen toch eerbied uit. Met kloosters in Azië zijn we ook enigszins bekend. We kennen de boeddhistische monniken uiteraard met hun kleurige gewaden. Hindoeïstische kloosters zijn volgens mij iets minder bekend, dus het lijkt mij na 2,5 maand hoognodig dat ik hier wat aandacht aan besteed. In de laatste alinea heb ik een stuk geciteerd dat geschreven is door Hendrik van Teijlingen, een begaafd hindoeïstische schrijver. Hij heeft veel boeken in het Nederlands vertaald waaronder de Bhagavad Gita waaruit onderstaand stuk komt.
Het belangrijkste in een Hindoeïstisch klooster zijn de beeltenissen in de tempelkamer. Veel mensen kennen uiteraard Ganesh en Shiva, want welke Expo verkoopt ze niet, maar God komt in verschillende vormen. In ieder hindoeistisch klooster, onafhankelijk van welke stroming, kun je dan ook Godsbeelden vinden in de vorm van Ganesh, Shiva, Vishnu, Brahma, Krishna etc. Deze beelden worden dagelijks aanbeden in een aantal diensten. De beelden worden gezien als verschillende gedaanten van God met ieder hun eigen kwaliteiten.
De hindoestische stroming die ik beoefen is het vaisnavisme. Hierin wordt God gezien als Krishna en hij wordt veelal driemaal daags vereerd. Op Audarya doen wij dit vanwege beperking in mankracht 2x per dag. Eenmaal om 5 uur sochtends bij het breken van de dag en een maal om half zeven savonds het einde van de dag. Verder mediteren we op Krishna’s namen op een kralensnoer. Krishna’s naam wordt wel vertaald als de Al-Aantrekkelijke omdat hij door zijn charme iedereen aantrekt en zelfs Cupido verslaat. Als ik iedere ochtend om 4.30 uit mijn bed klim, dan is dat voor zijn charme. Uiteraard zijn er in het hindoeïsme genoeg verhalen over Krishna. Een van de belangrijkste boeken is het Bhagavata Purana, waaruit Van Teijlingen zijn beschrijving haalt. Lees het stuk eens door en later meer over het specifieke hindoeïstische kloosterleven.
“Krishna wordt heerlijk beschreven in het Bhâgavata Purâna. Men ziet Hem als een eeuwig jeugdige Jongen, stralend blauwzwart als een regenwolk die op leegbarsten staat. Zijn voetzolen en handpalmen zijn roze en altijd als bloemblaadjes zo zacht. Om Zijn heupen draagt Hij een glanzende geelzijden doek. Zijn gewelfde borst is bedekt met een nooit verwelkende, veelkleurige bloemenkrans, die tot Zijn knieën neerhangt. Hij heft een dorpse bamboefluit naar Zijn lotuslippen, en terwijl Zijn wangen zachtjes bollen en Zijn ogen als bloemen opengaan, dartelen de tonen rond en brengen iedereen in vervoering: mensen en dieren verstarren en bomen en stenen beginnen te beven. In Zijn lange zwarte haar draagt Hij een pauweveer.
Men noemt Hem in Vraja, waar Hij met de koeien rondgaat, Mooie Zwarte, Demonendoder, Boterdief, Hartendief, Heuvelheffer, Râdhikâ’s lieveling. Giganten en magiërs bedreigen het dorp: Krishna laat ze in elkaar zakken of uit elkaar spatten en ontfermt Zich liefdevol over hun ziel. Een bosbrand loeit de koeherders om de oren. Krishna zuigt hem in Zijn Jongenslongen op. De Vedische goden komen Hem tarten - het volgende ogenblik liggen ze ademloos voor Hem op de knieën. Zijn ‘pleegmoeder’, Yas’odâ, kijkt in Zijn mond om te zien of Hij klei gegeten heeft en aanschouwt aan Zijn verhemelte het hele uitspansel met zon, maan en sterren. Als Allerhoogste boven alle wetten verheven, danst Hij met Râdhâ en de andere getrouwde meisjes van het dorp, verveelvoudigt Zich daarbij tot evenveel Krishna’s als er meisjes zijn en neemt hen allemaal tegelijk in Zijn goddelijke armen - een hele maanverlichte nacht lang, die in zichzelf een eeuwigheid duurt. Wanneer Hij later als Koning van Dvârakâ de strijdwagen van Zijn vriend Arjuna tussen de twee slagorden stuurt, op het slagveld Kurukshetra, en daar de Bhagavad-gîtâ verkondigt, is Hij naar menselijke berekening meer dan een eeuw oud, maar ziet Hij er nog altijd uit als Mooie Zwarte, de jonge Held van de herderinnen van Vraja.
Het is deze Krishna die men met Râdhâ aan Zijn zijde op honderdduizenden tempel-en huisaltaren vereert als God Zelf en Zijn Liefdeskracht, het Goddelijk Paar, dat de gebonden zielen uit samsâra redt en opneemt in Hun onvergankelijk Spel.”
Vote or submit article to:
No Comments
Leave a Comment
trackback address